Ladderrecht, gebruik van andermans grond toegestaan?

De term ladderrecht bestaat niet meer. Deze term is al in 1992 uit het Burgerlijk Wetboek  verdwenen.

Deze term werd destijds omschreven als het recht om gebruik te maken van het perceel van een buurman ter reparatie van gebouwen. Maar met het verdwijnen van de term ladderrecht is niet het recht uit de wet verdwenen. Sterker nog, het recht is gebleven en heeft een ruim toepassingsbereik gekregen. In dit artikel gaan wij  in op het nieuwe begrip ladderrecht en bekijken wij kort onder welke omstandigheden  dit gebruik is toegestaan.

Verplichting om gebruik te gedogen

Artikel 5:56  van het burgerlijk wetboek geeft de mogelijkheid om andermans grond of gebouw te gebruiken voor noodzakelijke werkzaamheden. Dit gebruik ziet niet alleen op het plaatsen van ladders, steigers en bouwliften, maar ook op het gebruik zoals de aanvoer van bouwmaterialen, het stutten van muren, het verlenen van doortocht en het aanleggen van een bouwweg.

Meer lezen


Tijdig bezwaar tegen wegknippen fiets

Van de Rechtbank Amsterdam

De gemeente moet toch inhoudelijk beslissen op het bezwaar van een bewoner van Oud-Zuid tegen het wegknippen van zijn fiets in de Museumpleinbuurt.

Dat heeft de rechtbank bepaald.

De zaak

De Amsterdammer had op 8 januari 2018 bezwaar gemaakt tegen het wegknippen, maar de gemeente vond dat bezwaar te laat.

De gemeente had namelijk op al 6 november 2017 een sticker op de fiets aangebracht waarop stond dat die vanaf 20 november 2017 verwijderd zou worden.

Daarom liep de bezwaartermijn tot 18 december 2017, aldus de gemeente.

De rechtbank oordeelt echter dat het besluit op de sticker pas volgens de wet is bekendgemaakt toen de Amsterdammer zijn fiets uit het depot ophaalde.

Daarom is de bezwaartermijn pas vanaf die datum gaan lopen en was het bezwaar wel op tijd.

Lees de volledige uitspraak:

ECLI:NL:RBAMS:2019:1738

Hulp nodig bij bezwaar maken? Vraag


De van rechtswege verleende vergunning

Wanneer is sprake van de zogenaamde lex silencio positivo, beter bekend als de van rechtswege verleende vergunning? Een vergunning van rechtswege is een vergunning die wordt geacht te zijn verleend omdat niet (tijdig) een besluit tot vergunningverlening is genomen. Kern daarvan is dat bij het uitblijven van een reactie de aanvraag wordt geacht te zijn gehonoreerd. In de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is bepaald dat deze in paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) opgenomen regeling ook van toepassing is in het omgevingsrecht. Een uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 23 januari 2019 benadrukt nogmaals dat de fictieve positieve beschikking niet op gaat als een aanvraag binnen de beslistermijn door het bevoegd gezag buiten behandeling is gesteld.

Waar ging de zaak over?

Een inwoner van Hazerswoude-Rijndijk  is eigenaar van een grote boerderij die is aangewezen als rijksmonument. Graag zou hij het gebruik van het pand willen wijzigen van wonen naar verhuur, om daarin recreatief groepsverblijf mogelijk te maken. Artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo verbiedt het zonder omgevingsvergunning uitvoeren van een project dat bestaat uit het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met (onder meer) een bestemmingsplan. Daarom dient de eigenaar op 7 juni 2016 bij het college van burgemeester en wethouders van Alphen aan den Rijn (het college) een aanvraag om omgevingsvergunning in.

De bij de aanvraag verstrekte gegevens en bescheiden zijn volgens het college echter onvoldoende voor de beoordeling van de aanvraag, waarop het college de eigenaar op 18 juli 2016 verzoekt de aanvraag aan te vullen. Nu de eigenaar daaraan geen gehoor geeft, stelt het college de aanvraag op 7 september 2016 buiten behandeling. Tegen dit besluit maakt de eigenaar geen bezwaar. De tijd verstrijkt verder.

Totdat de eigenaar beroep instelt tegen het niet tijdig bekendmaken van de inmiddels ‘van rechtswege verleende omgevingsvergunning’. Immers, bij een reguliere voorbereidingsprocedure hoort een beslistermijn van acht weken. Nu het college niet tijdig op de aanvraag besliste, is de gevraagde omgevingsvergunning – zoals artikel 4:20b, eerste lid, van de Awb bepaalt – op 3 augustus 2016 van rechtswege gegeven. Dat het college heeft besloten om de aanvraag buiten behandeling te stellen, kan volgens hem niet verhinderen dat er een omgevingsvergunning van rechtswege is gegeven, die het college bekend had moeten maken. Voor de eigenaar reden het college in gebreke te stellen.

Het college geeft daarentegen te kennen dat niet de reguliere maar de uitgebreide voorbereidingsprocedure op de aanvraag van toepassing is. Het college heeft de aanvraag namelijk opgevat als een aanvraag om een omgevingsvergunning voor de activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder f, van de Wabo. Volgens dit artikel is het verboden om zonder een omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het slopen, verstoren, verplaatsen of in enig opzicht wijzigen van een rijksmonument of het herstellen, gebruiken of laten gebruiken van een rijksmonument op een wijze waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht. Bij het behandeling van zo’n aanvraag moet advies worden ingewonnen bij de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, als adviseur Rijksdienst voor het cultureel erfgoed.

Deze mening deelt de eigenaar niet. Voor de aangevraagde wijziging hoeft het pand immers niet verbouwd of op een andere manier gewijzigd te worden. Hij heeft gewoon een aanvraag ingediend om een omgevingsvergunning voor de activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo.

Nadat de gang naar de rechtbank de eigenaar niets oplevert gaat hij in hoger beroep bij de Afdeling.

Oordeel Afdeling

Anders dan de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat de eigenaar inderdaad een aanvraag heeft ingediend om een omgevingsvergunning voor de activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo. Op grond van artikel 2.7, eerste lid, tweede volzin, van de Wabo bestaat namelijk de mogelijkheid om voorafgaand aan en los van de overige onlosmakelijke activiteiten, een aanvraag om een omgevingsvergunning voor de activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo in te dienen. Nu de aanvraag hiermee in overeenstemming is, is hierop inderdaad de reguliere voorbereidingsprocedure met een beslistermijn van acht weken van toepassing.

Toch leidt dit niet tot vernietiging van de aangevallen rechtbankuitspraak.

Met het bij brief van 18 juli 2016 gedane verzoek van het college aan de eigenaar om de aanvraag aan te vullen, heeft het college de beslistermijn met zes weken verlengd, als bedoeld in artikel 3.9, tweede lid, van de Wabo. Dat betekent dat het college uiterlijk op 14 september 2016 een besluit had moeten nemen op de aanvraag. Nu het college bij besluit van 7 september 2016 de aanvraag buiten behandeling heeft gelaten is gewoon tijdig een besluit genomen, zodat geen omgevingsvergunning van rechtswege is gegeven. Een buitenbehandelingstelling is immers ook een besluit!

Tot slot

Deze uitspraak laat nog eens zien dat in de Wabo de ‘lex silencio positivo’ geldt bij een aanvraag om een omgevingsvergunning die met de reguliere procedure wordt voorbereid. Voor de activiteiten waarvoor die reguliere procedure geldt, ontstaat dus van rechtswege een omgevingsvergunning als het bevoegd gezag niet op tijd – binnen acht weken – een besluit op de aanvraag neemt. Een besluit tot buitenbehandelingstelling van een aanvraag is daarbij ook een besluit op een aanvraag en kan dus wel degelijk verhinderen dat een omgevingsvergunning van rechtswege ten gunste van de aanvrager wordt genomen.  (ECLI:NL:RVS:2019:157 )

 

 


Voorschriften letterlijk volgen

Er kunnen zich situaties voordoen die de gemeente niet voor ogen heeft gehad bij het opstellen van voorschriften van het bestemmingsplan. Denk hierbij aan verschrijvingen of andere omissies. Het kan ook zijn dat er gewoon onbewust fouten zijn gemaakt. De Afdeling heeft in een groot aantal uitspraken kleine handreikingen gegeven over hoe voorschriften dan moeten worden geïnterpreteerd c.q. gelezen. Wij geven op basis van die uitspraken vijf tips voor een correcte uitleg van de voorschriften van het bestemmingsplan.

Letterlijk uitleggen – wat het resultaat ook is

De planregels en de op de plankaart vermelde bestemming zijn beslissend voor het antwoord op de vraag of er sprake is van strijd met het bestemmingsplan (ECLI:NL: RVS:2013:2055). Een planregel moet verder letterlijk worden uitgelegd omwille van de rechtszekerheid, aldus de Afdeling. Dat is zelfs het geval als het evident is dat de letterlijke tekst in strijd is met de bedoeling van de planwetgever (ECLI:NL:RVS:2009:BH3227). ​Dit leidt tot soms bizarre situaties. Zo was er in een uitspraak discussie over de aanduiding “klimbos” (ECLI:NL:RVS:2015:2833). Gelet op de definities van de voorschriften van het bestemmingsplan bestond een klimbos: “uit verschillende aangelegde routes door de kronen van de bomen via een parkoers van touwen en hout.” De gemeente betoogde dat de klimbeveiliging en de ziplines in het klimbos – gemaakt van metaal – ook onderdeel waren van het klimbos. De Afdeling oordeelde echter dat de definitie duidelijk was: touwen en hout, geen metaal. “Voorschriften van het bestemmingsplan dienen omwille van de rechtszekerheid letterlijk te worden uitgelegd, nu de rechtszekerheid vereist dat van hetgeen in het bestemmingsplan is bepaald, kan worden uitgegaan. Nu de desbetreffende regel verder duidelijk is, is er, anders dan het college betoogt, geen aanleiding daar een ruimere uitleg aan te geven.” De letterlijke tekst van de planregels is dus bepalend, hoe onredelijk het resultaat ook is.

Er is een rangorde voor het gebruik van definities

Bij het bepalen van de inhoud van de voorschriften is het van belang hoe bepaalde begrippen worden gedefinieerd. Er zit een rangorde in het gebruik van de definities. Leidend is de definitie in de planregel – ook al wijkt die af van het normale spraakgebruik! Bij het ontbreken van een definitie van een bepaling in de planregels kan aansluiting worden gezocht bij de definities van het begrip in andere wet- en regelgeving, dan wel het normale spraakgebruik (ECLI:NL:RVS:2016:770). Bij het bepalen van het normale spraakgebruik pleegt de Afdeling aansluiting te zoeken bij het Van Dale Groot Woordenboek van de Nederlandse taal. Als het Van Dale Groot woordenboek van de Nederlandse taal geen definitie geeft, formuleert de Afdeling die zelf (ECLI:NL:RVS:2016:775).

Niet alle Van Dale producten zijn gelijk

Een goed bewaard geheim is dat er geen “De” Van Dale is. Er is het “Van Dale Groot Woordenboek van de Nederlandse Taal” en er is het “Van Dale Groot Woordenboek hedendaags Nederlands”. De Afdeling hanteert het eerste woordenboek (zie onder meer: ECLI:NL:RVS:2013:2706, ECLI:NL:RVS:2016:392 en ECLI:NL:RVS:2017:1180). Het gratis woordenboek op www.vandale.nl is geen van beiden en geeft vaak een andere definitie. Zie de site van Van Dale voor een toelichting op het verschil. Let dus goed op. De definitie van een woord verschilt nogal eens tussen de woordenboeken! Neem bijvoorbeeld het woord “huis”. Dat wordt in het eerste (door de Afdeling gebruikte) woordenboek gedefinieerd als “Apart gebouw dat als woning, winkel of kantoor gebruikt wordt […]”, in het tweede woordenboek als “Bouwwerk of bouwsel dat mensen tot woning dient […]” en op www.vandale.nl als “Gebouw om in te wonen […]”. Afhankelijk van de gebruikte definitie moet een huis dus al dan niet een apart gebouw zijn en kan het wel of niet alleen voor wonen worden gebruikt. Dat maakt nogal een verschil!

Andere planregels kunnen de inhoud van een planregel bepalen

Leidt een letterlijke uitleg niet tot duidelijkheid over de strekking van een planregel, dan kan het systeem van de planregels helpen om de inhoud van de planregel te bepalen. Dit is wat de Afdeling bedoelt met de constatering dat de voorschriften ook niet “in samenhang” duidelijk zijn (ECLI:NL:RVS:2015:2636). Voorzien de planregels bijvoorbeeld in een afwijkingsbevoegdheid voor bepaald gebruik, dan kan daaruit volgen dat de planregel waar die afwijkingsbevoegdheid op ziet zo moet worden gelezen dat het gebruik waarvoor kan worden afgeweken daarmee strijdig is (“Deze [afwijkingsbevoegdheid] zou zinledig zijn indien reeds op grond […] van de planregels [de] activiteit […], ter plaatse zou zijn toegestaan” – (ECLI:NL:RVS:2015:3895).

De toelichting is een niet-bindend laatste redmiddel

Leiden zowel de letterlijke interpretatie als de samenhang tussen de planregels niet tot een duidelijke conclusie, dan is het laatste redmiddel de toelichting op de planregels van de planwetgever. Die is niet bindend, maar heeft volgens de Afdeling: “in zoverre betekenis dat deze over de bedoeling van de planwetgever meer inzicht kan geven indien de bestemming en de bijbehorende voorschriften waaraan moet worden getoetst, op zichzelf noch in samenhang duidelijk zijn” (ECLI:NL:RVS:2016:682). Een laatste redmiddel dus. Gevallen waarin de plantoelichting de doorslag geeft zijn daarom zeer schaars te noemen (zie voor een voorbeeld: ECLI:NL:RVS:2015:2026).


Optimization WordPress Plugins & Solutions by W3 EDGE